Gewone schorsingsprocedure
Deze procedure kan worden gevolgd voor dringende zaken waarin de zaak verplicht binnen maximaal zestig dagen op zitting moet worden gepland (behalve tijdens gerechtelijke vakanties).
Wanneer een verzoekschrift tot schorsing wordt ingediend, stelt de voorzitter van de bevoegde kamer, in overleg met de auditeur die het dossier behandelt, bij beschikking een procedurekalender vast .
Die beschikking bepaalt:
de datum van de zitting
de termijnen waarbinnen de partijen hun procedurestukken en overige stukken moeten neerleggen
Vóór de zitting analyseert de auditeur de stukken en argumenten van de partijen, en stelt hij, als de procedurekalender dat toelaat, een schriftelijk verslag op. Dat verslag bevat een advies waarin een voorlopige oplossing wordt voorgesteld. Het wordt vóór de zitting aan de partijen bezorgd.
De verzoekende partij of haar advocaat is verplicht aanwezig op de zitting, anders wordt de vordering tot schorsing afgewezen. Indien de verwerende partij of de verzoekende partij tot tussenkomst niet op de zitting aanwezig zijn, worden ze allebei geacht in te stemmen met het beroep tot schorsing.
Tijdens de zitting schetst de voorzitter, die meestal alleen zetelt, kort de feiten en de voornaamste rechtsvragen die aan de orde zijn. De partijen of hun advocaten krijgen vervolgens het woord; de pleidooien zijn doorgaans beknopt, omdat de argumenten al schriftelijk zijn uiteengezet.
Daarna geeft de auditeur zijn definitieve advies. Dat is niet bindend, maar heeft vaak invloed op de uiteindelijke beslissing. Na de debatten wordt de zaak in beraad genomen. Binnen tien werkdagen wordt een arrest uitgesproken.
Zie het vademecum: blz. 13, 15–18 en 22